Geschiedenis van cocaïne

Geschiedenis van cocaïne

Cocaïne is een harddrug. Dus het is illegaal om het te verkopen en te gebruiken. De cocaplant komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika en komt voor in landen als Ecuador, Peru en Bolivia. Bij opgravingen is ontdekt dat ongeveer 5000 jaar geleden al op cocabladeren werd gekauwd. De cocaplant groeit op hoge gebieden. De Inca’s (de inwoners van het Andes gebied in Zuid-Amerika) kauwden op de bladeren. Omdat het ervoor zorgt dat je uithoudingsvermogen stijgt en je geen honger meer hebt. Ze gebruikten het vaak als ze een tocht door de bergen moesten maken. Ook gebruikten ze het als middel tegen ziektes. De Inca’s vonden de cocaplant heilig.
Nadat de Spanjaarden Zuid-Amerika binnenvielen werd het gebruik van de cocabladeren ook strikter. De Indianen die gedwongen werden om in de mijnen te werken kregen de bladeren zodat ze langer door konden werken.

Rond 1550 brachten ontdekkingsreizigers cocabladeren naar Europa, maar doordat de reis heel lang was verloren de cocabladeren hun werking.

In 1859 lukte het de Duitse scheikundige Albert Niemann om voor het eerst het cocablad te isoleren.

Rond 1880 werd het steeds populairder onder medici.
In 1884 publiceerde de Oostenrijkse psychoanalyticus Sigmund Freud een artikel met de titel ‘Uber Coca’, hierin promootte hij cocaïne en hij noemde het een magische middel. Freud zelf gebruikte ook cocaïne. Maar drie jaar later na het artikel bleek dat cocaïne verslavend was.

Eind 19e eeuw begon het in de Verenigde Staten steeds meer populair te worden. In 1886 begon John Pemberton cocabladeren te gebruiken als ingrediënt in zijn nieuwe drank Coca-Cola. In 1903 mocht Coca-Cola de bladeren niet meer gebruiken.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>